MOB-versie | Naar grote versie






spreekwoorden

Des expressions - Uitdrukkingen

 

(À votre) santé.

(Op uw) gezondheid.

(Wordt alleen gezegd bij het proosten, niet als iemand niest.)

 

À bon entendeur, salut!

Wie het begrijpen wil zal het wel begrijpen!

Knoop dat goed in je oren!

 

À bon vin pas d'enseigne.

Goede wijn behoeft geen krans.

 

À chaque jour suffit sa peine.

Morgen is een andere dag.

 

À la fortune du pot

Wat de pot schaft.

 

À l'impossible, nul n'est tenu.

Tot het onmogelijke is niemand gehouden.

 

À la Saint-Glinglin.

Tot sint-juttemis.

 

À mon corps défendant.

Tegen mijn wil.

 

À quelque chose malheur est bon.

Een geluk in een ongeluk.

 

À qui mieux mieux.

De een nog meer dan de ander.

 

À tout seigneur tout honneur.

Wie het verdient moet je eren.

 

Abattre son jeu.

Zijn kaarten op tafel leggen.

 

Aide-toi, et le ciel t'aidera.

Doe eerst iets om je toestand te verbeteren, dan komen anderen je wel helpen.

 

Appeler quelqu'un à cor et à cri.

Iemand zeer luidruchtig roepen.

 

Appeler un chat un chat.

Het beestje bij de naam noemen.

 

Après la pluie le beau temps.

Na regen komt zonneschijn.

 

Après moi le déluge.

Na mij de zondvloed.

 

Arriver comme un chien dans un jeu de quilles.

Ergens binnenkomen en erg ongewenst zijn.

 

Au royaume des aveugles, les borgnes sont rois.

In het land der blinden, is eenoog koning.

 

Autres temps, autres mœurs.

Andere tijden, andere zeden.

 

Aux grands maux les grands remèdes.

Als de nood hoog is moet men krachtig handelen.

 

Avoir d'autres chats à fouetter.

Andere, belangrijkere dingen te doen hebben. (Letterlijk: andere katten te kastijden hebben.)

 

Avoir du bien au soleil.

Rijk zijn.

 

Avoir l'embarras du choix.

Keuzestress hebben. Veel keuze hebben.

 

Avoir la tête près du bonnet.

Lange tenen hebben. (Letterlijk: de kop dicht bij de muts hebben.)

 

Avoir le beau rôle.

De mooiste rol kunnen spelen.

 

Avoir le dernier mot.

Het laatste woord hebben.

 

Avoir le vent en poupe.

De wind in de rug hebben.

 

Avoir les deux pieds dans le même sabot.

Twee linkerhanden hebben.

 

Avoir maille à partir avec quelqu'un.

Een conflict hebben met iemand.

 

Avoir plusieurs cordes à son arc.

Kundig zijn op vele terreinen.

 

Avoir quelqu'un à l'oeil

Op het doen en laten van iemand letten.

 

Avoir un chat dans la gorge.

Een kikker in de keel hebben. (Letterlijk: een kat in de keel hebben.)

 

Avoir une araignée au plafond.

Een klap van de molen gehad hebben. Gestoord zijn.

 

Avoir une humeur de chien.

Een rothumeur hebben.

 

Bassiner quelqu'un.

Iemand vermoeien met onzin.

 

Battre la campagne.

(Iemand of iets) in een kleine regio overal zoeken.

 

Battre le fer tant qu'il est chaud.

Het ijzer smeden als het heet is.

 

Bienheureux les pauvres d'esprit…

Wie de complexiteit van het leven niet inziet kan zich als gelukkig beschouwen.

 

Briller par son absence.

Schitteren door afwezigheid.

 

Boire comme un trou.

Drinken als een tempelier.

 

Bon débarras.

Opgeruimd staat netjes.

 

Bon sang ne peut mentir.

Afkomst verloochent zich niet. (Letterlijk: goed bloed kan niet liegen.)

 

Briller par son absence.

Opvallend afwezig zijn.

 

Brûler ses vaisseaux.

Iets doen dat het onmogelijk maakt om uit een bepaald proces te stappen.

(Letterlijk: na een landing, je boten in de fik steken, zodat je soldaten goed beseffen dat het winnen of doodgaan is).

 

C'est dans le besoin qu'on reconnaît ses vrais amis.

In nood leer je je vrienden kennen.

 

C'est en forgeant qu'on devient forgeron.

Aldoende leert men. (Letterlijk: door te smeden wordt men een smid.)

 

C'est l'exception qui confirme la règle.

Het is de uitzondering die de regel bevestigt.

 

C'est l'hôpital qui se moque de la charité

De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet.

 

C'est la goutte d'eau qui fait déborder le vase.

Het is de druppel die emmer doet overlopen.

 

C'est la vie.

Zo is het leven.

 

C'est clair comme du jus de boudin.

Het is onbegrijpelijk.

 

C'est le cadet de mes soucis.

Het heeft voor mij absoluut geen voorrang.

 

C'est réglé comme du papier à musique.

Het loopt op rolletjes - het loopt gesmeerd.

 

C'est toujours la même chanson.

Herhaling van het verleden. Het is altijd hetzelfde liedje.

 

C'est une autre paire de manche.

Dat is andere koek.

 

C'était à deux doigts.

Het was op het nippertje.

 

Ça marche comme sur des roulettes.

Het gaat van een leien dakje. Het loopt gesmeerd.

 

Ça ne casse pas trois pattes à un canard.

Het is niets bijzonders.

 

Caresser quelqu'un dans le sens du poil.

Complimentje geven - de hemel in prijzen.

 

Casser sa pipe.

De pijp uitgaan.

 

Ce n'est pas la mer à boire.

Zo moeilijk is het niet.

 

Ce ne sont pas vos oignons.

Dat zijn uw zaken niet.

 

Ce que femme veut, Dieu le veut.

De wil van een vrouw is de wil van God.

 

Chacun prend son plaisir où il le trouve.

Elk diertje heeft zijn pleziertje.

 

Charbonnier est maître chez lui.

Privézaken zijn eigen zaken en niemand mag zich ermee bemoeien.

 

Chassez le naturel, il revient au galop.

Een boer blijft altijd een boer.

 

Chat échaudé craint l'eau froide.

Iemand die eenmaal een slechte ervaring heeft gehad blijft argwanend, ook als de bedoeling goed is.

 

Chercher la petite bête.

In plaats van het geheel waarderen, zoeken naar de kleine imperfecties. Vitten.

 

Chercher midi à quatorze heures.

Spijkers op laag water zoeken.

 

Chercher une aiguille dans une botte de foin.

Een speld in een hooiberg zoeken.

 

Cherchez la femme.

Als een man zich anders of zelfs onbegrijpelijk gedraagt, is dat waarschijnlijk om te verhullen dat hij een buitenechtelijke relatie heeft. De spreuk wordt vaak aangehaald in misdaadverhalen, als er een moord moet worden opgelost. Letterlijk: Zoek de vrouw.

 

Chien qui aboie ne mord pas.

Blaffende honden bijten niet.

 

Construire des châteaux en Espagne.

Luchtkastelen bouwen.

 

Copains comme cochons.

Twee handen op één buik.

 

Couper l'herbe sous le pied de quelqu'un.

Iemand het gras voor de voeten wegmaaien.

 

Couper la poire en deux.

De koek verdelen.

 

Couper les cheveux en quatre.

Op alle slakken zout leggen (ook muggenziften/mierenneuken) .

 

Courir à fond de train.

Op maximale snelheid rennen.

 

Courir comme un lapin.

Er als een haas vandoor gaan.

 

Courir deux lièvres à la fois.

Van twee walletjes eten.

 

Dans le doute, abstiens-toi.

Als je niet zeker van je zaak bent, neem dan geen actie.

 

Danser la valse-hésitation.

Als een kat om de hete brij draaien (de verantwoordelijkheid niet durven nemen). Aarzelend optreden.

 

Découvrir le pot aux roses.

Het fijne ervan te weten komen.

 

Dieu et mon droit.

God en mijn recht. Devies van de Engelse koningen.

 

Dire à quelqu'un ses quatre vérités.

Iemand ongezouten de waarheid zeggen.

 

Donner à quelqu'un le bon dieu sans confession.

Iemand blind vertrouwen vanwege de goede indruk.

 

Donner de la confiture aux cochons.

Paarlen voor de zwijnen gooien.

 

Donner du fil à retordre à quelqu'un.

Zich niet makkelijke laten (in)pakken.

 

Donner le coup d'envoi.

Het spits afbijten.

 

Donner sa langue au chat.

Het antwoord op van een strikvraag niet kunnen vinden, en het opgeven.

 

Dormir comme un bébé.

Slapen als een roos.

 

En avoir gros sur la patate.

Het moeilijk hebben.

 

En voir de toutes les couleurs (= en voir des vertes et pas des mûres).

Een opeenvolging van moeilijkheden moeten doorstaan.

 

Entre chien et loup.

Tussen licht en donker (bij de schemering).

 

Entre la poire et le fromage.

À la fin du repas. Aan het einde van de maaltijd.

 

Être réglé comme du papier à musique.

Lopen als een klok.

 

Être aimable comme une porte de prison.

Zeer onaangenaam zijn.

 

Être beau comme un Dieu.

Voor een man: bloedmooi zijn.

 

Être belle comme le jour.

Voor een vrouw: beeldschoon zijn.

 

Être bête comme ses pieds.

Oerdom zijn (zo stom als het achtereind van een koe).

 

Être blanc comme neige.

Spierwit / zo wit als sneeuw zijn.

 

Être bon comme du pain blanc.

Een goed hart hebben.

 

Être clair comme de l'eau de roche.

Glashelder zijn.

 

Être cloué au lit.

Aan bed gekluisterd zijn.

 

Être coiffé comme l'as de pique.

Het haar in de war hebben.

 

Être connu comme le loup blanc.

Bekend zijn als de bonte hond.

 

Être dans le même bateau.

In hetzelfde schuitje zitten.

 

Être de bon bois.

Uit het goede hout gesneden zijn.

 

Être doux comme un mouton.

Zacht (van karakter) zijn, als een lammetje.

 

Être dur comme fer.

Van een voorwerp: keihard, zo hard als steen zijn.

 

Être fort comme un Turc.

Beresterk zijn.

 

Être gai comme un pinson

Vrolijk van karakter zijn.

 

Être habillé comme un épouvantail.

Er als een zwerver bij lopen.

 

Être heureux comme un poisson dans l'eau.

Zich als een vis in het water voelen.

 

Être laid comme un pou.

Zo lelijk zijn als de nacht zijn (voor een mens).

 

Être le dindon de la farce.

Het mikpunt van de grap zijn.

 

Être libre comme l'air.

Vrij als een vogel zijn.

 

Être malin comme un singe

Super slim zijn.

 

Être mince comme un fil.

Broodmager zijn.

 

Être muet comme une carpe.

Niets zeggen.

 

Être noir comme charbon

Zo zwart als roet zijn.

 

Être pâle comme un cachet d'aspirine.

Zo wit als een doek zijn.

 

Être pauvre comme Job.

Straatarm zijn.

 

Être plein comme un œuf

Tjokvol zijn.

 

Être propre comme un sou neuf.

Brandschoon/kraakhelder zijn.

 

Être rapide comme l'éclair.

Bliksemsnel zijn.

 

Être riche comme Crésus.

Schatrijk zijn.

 

Être rouge comme une tomate.

Zo rood als een kreeft zijn.

 

Être rusé comme un renard

Zo sluw als een vos zijn.

 

Être sage comme une image.

Voor een kind: braaf zijn.

 

Être saoul comme un Polonais.

Dronken als een tor zijn.

 

Être sérieux comme un pape.

Doodserieus zijn.

 

Être serrés comme des sardines

Als sardientjes op elkaar gepakt zijn.

 

Être simple comme bonjour

Doodeenvoudig / zo simpel als wat zijn.

 

Être sourd comme un pot.

Zo doof als een kwartel zijn/ stokdoof zijn.

 

Être sur son trente et un.

Op zijn paasbest zijn.

 

Être têtu comme une mule.

Zo koppig als een ezel zijn.

 

Être vaniteux comme un paon.

Erg ijdel zijn.

 

Faire chou blanc (= faire fiasco).

Zijn doel niet bereiken.

 

Faire comme si de rien n'était.

Je van de domme houden.

 

Faire d'une pierre deux coups.

Twee vliegen in één klap slaan.

 

Faire des pieds et des mains.

Op zijn kop gaan staan.

 

Faire du pouce.

Liften.

 

Faire entrer le loup dans la bergerie.

De kat op het spek binden.

 

Faire la grasse matinée.

Uitslapen.

 

Faire la mouche du coche.

Doen alsof je een heel belangrijke bijdrage levert, terwijl je in feite alleen een beetje rond rent.

 

Faire la pluie et le beau temps.

Over alles (kunnen) beslissen.

 

Faire la sourde oreille.

Zich Oost-Indisch doof houden .

 

Faire le bon apôtre.

Doen alsof je goede bedoelingen hebt terwijl het helemaal niet zo is.

 

Faire le grand seigneur.

De grote mijnheer uithangen.

 

Faire le mort.

Doen alsof zijn neus bloedt.

 

Faire un faux pas.

Een misstap begaan.

 

Faut pas pousser mémé dans les orties.

Je moet niet overdrijven.

Je moet het niet te bont maken

 

Fondre en larmes.

In tranen uitbarsten.

 

Fort comme un bœuf.

Zo sterk als een beer (letterlijk: als een os).

 

Garder une poire pour la soif.

Een appeltje voor de dorst bewaren.

 

Graisser la patte à quelqu'un.

Iemand omkopen.

 

Honi soit qui mal y pense.

Schande over wie er slecht van denkt.

Oudfranse spreuk van de Engelse Orde van de Kousenband.

 

Il boit comme un templier.

Hij drinkt veel (als een tempelier).

 

Il fait un froid de canard.

Het is berekoud.

 

Il fait un temps de chien.

Het is hondenweer.

 

Il pleut comme vache qui pisse.

Het regent dat het giet.

 

Il n'est pire eau, que l'eau qui dort.

Stille waters hebben diepe gronden (zwijgzame mensen hebben vaak diepere gedachten).

 

Il ne faut pas réveiller le lion qui dort.

Men moet geen slapende honden wakker maken.

 

Il pleut des cordes.

Het regent pijpenstelen.

 

Il y a anguille sous roche.

Er schuilt een addertje onder het gras.

 

Il y a un vent à décorner les bœufs.

Het waait erg hard. (Zo hard dat de runderen/ossen hun hoorns verliezen.)

 

Jamais deux sans trois.

Driemaal is scheepsrecht.

 

Je crève de faim/soif/envie.

Ik rammel van de honger/ ik sterf van de dorst/ ik heb er enorm zin in. 

 

Je lui garde un chien de ma chienne.

Ik heb nog een appeltje met hem te schillen.

 

Je suis trempé(e) comme une soupe.

Ik ben drijfnat, kletsnat.

 

Je vois 36 chandelles.

ik zie sterretjes.

 

Jeter de l'argent par la fenêtre.

Geld over de balk smijten.

 

Jeter de la poudre aux yeux.

Zand in de ogen strooien.

 

Jeter des perles aux cochons.

Parels voor de zwijnen werpen.

 

Jeter l'argent par les fenêtres.

Geld over de balk gooien.

 

Joindre les deux bouts.

De eindjes aan elkaar knopen.

 

Jouer à quitte ou double.

Alles op alles zetten.

 

Jouer des coudes.

Ellebogenwerk.

 

Jouer l'avocat du diable.

Advocaat van de duivel zijn / spelen.

 

Jurer comme un charretier.

Vloeken als een ketter/ketellapper/bootwerker.

 

L'amour est aveugle.

Liefde maakt blind.

 

L'état, c'est moi!

De staat, dat ben ik! (uitspraak, toegeschreven aan koning Lodewijk XIV).

 

L'herbe du voisin est toujours la plus verte.

Het gras is altijd groener aan de andere kant.

 

L'heure est grave.

Er wordt nu Historie geschreven. Het is tijd om zware beslissingen te nemen.

 

L'union fait la force.

Eendracht maakt macht. Spreuk van de Belgische staat.

 

La crème de la crème.

Het neusje van de zalm, het beste van het beste.

 

La fine fleur (de la société)

De mensen van stand.

 

La nuit porte conseil.

De nacht brengt raad.

 

La nuit, tous les chats sont gris.

In het donker zijn alle katjes grauw.

 

Le monde appartient à ceux qui se lèvent tôt.

De morgenstond heeft goud in de mond.

 

Le pot de terre contre le pot de fer.

Een samenwerking waar de ene veel sterker is dan de ander, en zelfs voor die ander gevaarlijk is.

 

Le roi est mort, vive le roi!

De koning is dood, leve de koning!

 

Le savoir vivre.

De welgemanierdheid; weten hoe in de maatschappij te staan en met mensen beleefd om te gaan (Letterlijk: Weten hoe te leven; dit is een zeer wijd verspreide valse vriend: men denkt dat dit het goede leven betekent).

 

Les extrêmes se touchent.

De uitersten raken elkaar.

 

Les goûts et les couleurs, ça ne se discute pas.

Over verschillen in levenswijze moet je niet gaan argumenteren. Over smaakt valt niet te twisten.

 

Liberté, Egalité, Fraternité

Vrijheid, gelijkheid, broederschap.

 

Loin des yeux, loin du cœur.

Uit het oog, uit het hart.

 

Manger à deux râteliers.

Van twee walletjes eten.

 

Manger comme un ogre.

Enorm veel eten.

 

Manger les pissenlits par la racine.

Onder de groene zoden liggen.

 

Manger sur le pouce.

Uit het vuistje eten.

 

Marcher sur les platebandes de quelqu'un.

Onder iemands duiven schieten.

 

Ménager la chèvre et le chou.

De kool en de geit sparen.

 

Mener quelqu'un par le bout du nez.

Iemand in de maling nemen.

 

Mentir comme un arracheur de dents

Liegen alsof het gedrukt staat.

 

Mettre de l'eau dans son vin.

Water bij de wijn doen.

 

Mettre la charrue avant les boeufs.

Het paard achter de wagen spannen.

 

Mettre le holà.

Tussenbeide komen; een eind aan maken aan een situatie die uit de hand dreigt te lopen.

 

Mettre les bouchées doubles.

Werken als een paard.

 

Mettre quelqu'un dans le coup.

Iemand in vertrouwen nemen.

 

Mettre tous ses œufs dans le même panier.

Alles op één kaart zetten .

 

Mieux vaut tard que jamais!

Beter laat dan nooit.

 

Monter sur ses grands chevaux.

Op zijn achterste benen staan.

 

Montrer à quelqu'un de quel bois on se chauffe.

Het bit tussen de tanden nemen (kwaad worden).

 

Montrer patte blanche.

Een wit voetje halen.

 

N'avouez jamais.

Beken nooit, geef nooit toe.

 

N'y voir que du feu.

Een misstand helemaal niet merken.

 

Ne pas céder un pouce.

Geen duimbreed wijken.

 

Ne pas y aller avec le dos de la cuillère.

Zonder schroom handelen. 

 

N'importe quoi.

Lukraak, zomaar iets.

 

Noblesse oblige.

Adeldom legt verplichtingen op. Tegenwoordig gebruikt om aan te geven dat een bepaalde positie bepaalde verplichtingen met zich meebrengt.

 

Noyer le poisson.

Een rookgordijn optrekken.

 

On ne fait pas d'omelette sans casser des œufs.

Waar gehakt wordt vallen spaanders.

 

On ne vit qu'une fois.

Je leeft maar één keer.

 

Ouvrir la boîte de Pandore.

Iets doen dat kwalijke consequenties zal hebben, zonder dat het terug te draaien is.

 

Parier sur le mauvais cheval.

Op het verkeerde paard wedden.

 

Paris vaut bien une messe.

Soms moet men een beetje schipperen met zijn principes (Letterlijk: Parijs is wel een mis waard. Uitspraak van Hendrik IV, bij zijn bekering tot het katholicisme om de Franse troon te kunnen bestijgen, in 1593).

 

Parler français comme une vache espagnole.

Slecht Frans spreken (Letterlijk: Frans spreken als een Spaanse koe.)

 

Partir c'est mourir un peu.

Afscheid nemen is een beetje sterven.

 

Passer une nuit blanche.

Een slapeloze nacht doorbrengen.

 

Payer en monnaie de singe.

Betalen met waardeloze middelen of acties.

 

Payer rubis sur l'ongle.

Boter bij de vis.

 

Pédaler dans la choucroute.

De draad kwijt raken, in het honderd lopen (Letterlijk: in de zuurkool trappelen.)

 

Perdre la face.

Gezichtsverlies lijden.

 

Petit à petit, l'oiseau fait son nid.

Alle beetjes helpen (Letterlijk: stukje bij beetje bouwt de vogel zijn nest).

 

Pleurer comme un veau.

Tranen met tuiten huilen.

 

Prendre le problème à la racine.

Een probleem bij de wortel aanpakken.

 

Prendre le taureau par les cornes.

De koe bij de horens vatten.

 

Promettre monts et merveilles.

Gouden bergen beloven.

 

Quand le chat n'est pas là, les souris dansent.

Als de kat van huis is, dansen de muizen (op tafel).

 

Quand les poules auront des dents.

Wanneer de kalveren op het ijs dansen.

 

Quand on parle du loup on en voit la queue.
Als je het over de duivel hebt, dan trap je op zijn staart.

 

Qui ne dit mot consent.

Wie zwijgt stemt toe.

 

Qui ne risque rien n'a rien.

Wie niet waagt, die niet wint.

 

Qui part à la chasse, perd sa place.

Opgestaan is plaats vergaan.

 

Qui s'excuse, s'accuse.

Wie zich verontschuldigt, beschuldigt zichzelf.

 

Qui se ressemble s'assemble.

Soort zoekt soort.

 

Qui trop embrasse, mal étreint.

Niet te veel hooi op je vork nemen.

 

Rendre à quelqu'un la monnaie de sa pièce.

Iemand een koekje van eigen deeg geven.

 

Revenons à nos moutons.

Laten we terug naar de kern van de zaak gaan.

 

Rien ne sert de courir, il faut partir à point!

Zich haasten heeft geen nut: men moet op tijd beginnen (uit 'Le lièvre et la tortue' van Jean de la Fontaine).

 

Rien ne va plus.

Niets gaat meer. Aankondiging van de croupier aan de roulettetafel dat niemand meer mag inzetten.

 

Rira bien qui rira le dernier.

Wie het laatst lacht, lacht het best.

 

Rire dans sa barbe.

In zijn vuistje lachen.

 

Rire jaune.

Lachen als een boer met kiespijn.

 

Ruer dans les brancards.

De teugels afwerpen (opstandig worden).

 

Sauter du coq à l'âne.

Van de hak op de tak springen.

 

Sauve qui peut !

Redden wie zich redden kan!

 

Se débrouiller comme un chef.

Zich heel goed redden.

 

Se donner un mal de chien.

Veel moeite doen om iets te bereiken.

 

Se jeter dans la gueule du loup.

Zich in het hol van de leeuw wagen.

 

Se moquer du monde.

Geen rekening houden met anderen - (populair:) ikke, ikke, ikke en de rest kan stikke(n).

 

Se regarder en chiens de faïence.

Elkaar vijandig aankijken zonder te spreken.

 

Se reposer sur ses lauriers.

Op z'n lauweren rusten.

 

Se serrer la ceinture.

De broekriem aanhalen.

 

Se serrer les coudes.

De gelederen sluiten.

 

Se tourner les pouces.

Duimen draaien. Niets te doen hebben. 

 

Serrer la vis.

De duimschroeven aandraaien.

 

Tirer des plans sur la comète.

Te hard van stapel lopen.

 

Tirer la couverture à soi.

Meer nemen dan juist is. Het beste naar zich toe halen.

 

Tirer le diable par la queue.

Het amper redden. Moeite hebben om rond te komen.

 

Tirer une épine du pied à quelqu'un.

Iemand uit de zorgen helpen.

 

Tomber dans le panneau.

In de val lopen.

 

Tomber dans les pommes.

Flauwvallen.

 

Tout comprendre c'est tout pardonner.

Alles begrijpen is alles vergeven.

 

Travailler comme un fou.

Als een paard werken.

 

Travailler pour des prunes.

Geen vergoeding krijgen voor het gedane werk. Voor de kat zijn viool werken.

 

Un coup de pouce.

Een duwtje in de rug.

 

Un homme averti en vaut deux.

Een gewaarschuwd man telt voor twee.

 

Un temps de chien

Hondenweer.

 

Une hirondelle ne fait pas le printemps.

Eén zwaluw maakt nog geen zomer.

 

Usage rend maître.

Al doende leert men.

 

Vendre la peau de l'ours avant de l'avoir tué.

De huid van de beer verkopen voordat hij geschoten is.

 

Voir 36 chandelles.

Sterretjes zien.

 

Vouloir c'est pouvoir.

Waar een wil is, is een weg.

 

Links naar andere websites: