29790 actieve gebruikers

Inloggen bestaande gebruiker
Aanmelden nieuwe gebruiker

Naar mobiele versie

i.s.m. 


Voornaamwoorden | betrekkelijk vnw.


le pronom relatif

 

Als onderwerp is het betrekkelijk voornaamwoord altijd qui.

Als lijdend voorwerp is het betrekkelijk voornaamwoord altijd que.

  • La voiture qui se trouve dans la rue.
    De auto die zich in de straat bevindt.
         
  • La voiture que j'ai mise dans le garage.
    De auto die ik in de garage heb gezet.

 

Betrekkelijk voornaamwoord na een voorzetsel: let op het woord waar het naar verwijst:

 

- naar een persoon? Dan qui:

  • L' ami avec qui je vais en vacances. 

 

- niet naar een persoon? Dan lequel/laquelle/lesquels/lesquelles:

  • Le livre dans lequel il y a des images.
  • La fête pour laquelle j'achète les cadeaux.
  • Les livres avec lesquels je me prépare à l'examen.
  • Les fleurs parmi lesquelles il y a des roses.

Let op:

à + lequel = auquel

à + lesquels = auxquels

à + lesquelles = auxquelles

 

 

Betrekkelijk voornaamwoord na het voorzetsel 'de'

Verwijst het betrekkelijk voorwerp naar iets of iemand? En komt er geen voorzetsel voor? Dan dont:

  • L'élève dont je parle.
  • Les amis dont je regarde les photos.
  • La voiture dont je parle.
  • Les voitures dont je parle.

Staat er een voorzetsel in de zin, dan gebruik je duquel, de laquelle, desquels en desquelles.

Voorbeelden:

Tu devrais reconnaître le petit garçon près duquel je me suis assis.
(Je suis assis près du petit garçon.)

Les amis  loin desquels nous vivons restent chers à nos cœurs.
(Nous vivons loin de nos amis.) 








Beter Spellen  Beter Rekenen  NU Beter Engels  NU Beter Duits  NU Beter Frans  Beter Bijbel  Beter Bijbel  

© 2015 - Martin van Toll Producties en franszelfsprekend.nl

NuBeterFrans is mede mogelijk gemaakt door de Sectie Frans van Levende Talen