29451 actieve gebruikers

Inloggen bestaande gebruiker
Aanmelden nieuwe gebruiker

Naar mobiele versie

i.s.m. 


Werkwoorden | wederkerend werkw.


Les verbes pronominaux - de wederkerende werkwoorden

 

Deze werkwoorden hebben in het Nederlands 'zich' ervoor staan. Bijvoorbeeld 'zich aankleden'. Afhankelijk van het onderwerp kan 'zich' veranderen in 'me', 'je' etc. Dat gebeurt in het Frans ook.

 

Le présent - de tegenwoordige tijd

Bij de présent krijgt het werkwoord dezelfde vervoeging als de werkwoorden van de présent. Wel moet 'se' ook aangepast worden, net als in het Nederlands.

 

Voorbeeld met werkwoord op -ER

 

se laver zich wassen
Je me lave Ik was me
Tu te laves Jij wast je
Il se lave Hij wast zich
Elle se lave Zij wast zich
On se lave

Men wast zich /

We wassen ons 

Nous nous lavons     Wij wassen ons
Vous vous lavez

Jullie wassen je /

U wast zich

Ils se lavent Zij wassen zich
Elles se lavent Zij wassen zich

 

 

Voorbeeld met werkwoord op -RE

 

se rendre zich begeven
Je me rends Ik begeef me
Tu te rends Jij begeeft je
Il se rend Hij begeeft zich
Elle se rend Zij begeeft zich
On se rend Men begeeft zich /
We begeven ons
Nous nous rendons     We begeven ons
Vous vous rendez

Jullie begeven je /

U begeeft zich

Ils se rendent Zij begeven zich
Elles se rendent Zij begeven zich

 

Voorbeeld met werkwoord op -IR

 

se sentir zich voelen
Je me sens Ik voel me
Tu te sens Jij voelt je
Il se sent Hij voelt zich
Elle se sent Zij voelt zich
On se sent Men voelt zich /
We voelen ons
Nous nous sentons     Wij voelen ons
Vous vous sentez

Jullie voelen je /

U voelt zich

Ils se sentent Zij voelen zich
Elles se senten Zij voelen zich

 

Le passé composé - De V.T.T.

De wederkerende werkwoorden worden in de passé composé met het hulpwerkwoord être vervoegd. Het voltooid deelwoord past zich daarom ook aan het onderwerp aan. Kijk voor meer informatie onder het kopje verleden tijd.

 

 

mannelijk enkelvoud mannelijk meervoud vrouwelijk enkelvoud vrouwelijk meervoud
- +s +e +es

 

Voorbeeld met werkwoord op -ER

 

Je me suis lavé(e) Ik heb me gewassen
Tu t'es lavé(e) Jij hebt je gewassen
Il s'est lavé Hij heeft zich gewassen
Elle s'est lavée Zij heeft zich gewasen
On s'est lavé(s)

We hebben ons gewassen /

Men heeft zich gewassen

Nous nous sommes lavé(e)s     Wij hebben ons gewassen
Vous vous êtes lavé(e)(s)

Jullie hebben je gewassen /

U hebt zich gewassen

Ils se sont lavés Zij hebben zich gewassen
Elles se sont lavées Zij hebben zich gewassen

 

Le futur proche - de nabije toekomst

De futur proche bestaat uit een vervoegde vorm van het werkwoord aller (gaan) + een infinitief.

Wanneer er een futur proche wordt gemaakt van een wederkerend werkwoord, staat het persoonlijk voornaamwoord voor de infinitief van het wederkerende werkwoord.

 

Tu vas t'excuser? Ga jij je verontschuldigen?

Nous allons nous brosser les dents. We gaan onze tandenpoetsen.

 

La négation - de ontkenning

De ontkenning bestaat in het Frans altijd uit twee delen. Het eerste deel bestaat altijd uit het woordje ne, het tweede deel is veriabel.

 

Het wederkerend voornaamwoord staat tussen ne en het tweede deel van de ontkenning en vormt dus één geheel met de persoonsvorm.

 

Je ne me lave pas. Ik was me niet.

Elle ne se repose jamais. Zij rust nooit uit.

 

In de passé composé staat het hulpwerkwoord vóór het wederkerend voornaamwoord.

 

Je ne me suis pas lavé. Ik heb me niet gewassen.

 

Er zijn ook werkwoorden die in het Nederlands niet wederkerend zijn, maar in het Frans wel:

  • se promener = wandelen
  • se brosser les dents = tandenpoetsen
  • se lever = opstaan
  • se coucher = gaan slapen
  • se réveiller = wakker worden
  • s'en aller = weggaan
  • s'y connaître = er verstand van hebben

In het Nederlands wel een wederkerend werkwoord, in het Frans niet:

 

  • zich schamen (voor)
    rougir, avoir honte de, être honteux
  • Ik schaam me voor jou.
    J’ai honte de toi.
  • Daar hoef je je niet voor te schamen.
    Tu n’as pas à en rougir.
         
        
  • zich verslapen
    dormir trop longemps
  • Zij heeft zich verslapen.
    Elle a dormi trop longtemps.
            
           
  • zich verslikken
    avaler de travers
  • Ik heb me verslikt.
    J’ai avalé de travers.

Les verbes pronominaux réciproques - de wederkerige werkwoorden

Bij de wederkerige werkwoorden betekent het woordje se niet zich, maar elkaar.

Se dient wel te worden aangepast aan het onderwerp.

Enkele voorbeelden zijn:

 

se voir  elkaar zien

On se voit quand?
Wanneer zien we elkaar?

se connaître elkaar kennen

Ils se connaissent depuis longtemps.
Zij kennen elkaar al lang.

se battre     elkaar slaan / met elkaar vechten

Les enfants se sont battus.
De kinderen hebben elkaar geslagen / met elkaar gevochten.

se disputer (elkaar) betwisten
Vous vous disputez le même garçon ?
Betwisten jullie elkaar dezelfde jongen? 

 

Bij wederkerende werkwoorden vervalt de congruentie wanneer het persoonlijk voornaamwoord de functie van een meewerkend voorwerp (COI) heeft.


Elles se sont parlé. (parler à quelqu'un) 

Ils se sont téléphoné. (téléphoner à quelqu'un)

 

Elkaar kan niet altijd worden vertaald met se:

 

Wij wantrouwen elkaar.

Nous nous méfions l'un de l'autre.

 

Jullie rekenen op elkaar.

Vous comptez l'un sur l'autre.

 

Zij hebben zich in elkaars armen gestort.

Elles se sont jetées l'un dans les bras de l'autre.

 








Beter Spellen  Beter Rekenen  NU Beter Engels  NU Beter Duits  NU Beter Frans  Beter Bijbel  Beter Bijbel  

© 2015 - Martin van Toll Producties en franszelfsprekend.nl

NuBeterFrans is mede mogelijk gemaakt door de Sectie Frans van Levende Talen